| Samengestelde woorden: |
WordReference English-Dutch Dictionary © 2026:
| gemakkelijk in de omgang bn | (meegaand) | easygoing adj |
| | | easy to get on with expr |
| goed kunnen opschieten met overg. uitdr. | (het goed kunnen vinden met) | get on well with, get along well with v expr |
| goed overweg kunnen met onoverg. uitdr. | (het goed kunnen vinden met iem) | get on well with someone, get along well with someone v expr |
| het goed kunnen vinden met overg. uitdr. | (graag omgaan met) | get along well with, get on well with v expr |
| het kunnen vinden met overg. uitdr. | (graag omgaan met) | get along well with, get on well with v expr |
| niet kunnen opschieten met overg. uitdr. | (niet overweg kunnen met) | not get along with, not get on with v expr |
| niet overweg kunnen met overg. uitdr. | (niet goed om kunnen gaan met) | not get along with, not get on with v expr |
| op de zenuwen werken overg. uitdr. | (irriteren) | get on the nerves v expr |
| op iemands systeem werken onoverg. uitdr. | Belg. (op iemands zenuwen werken) | get on someone's nerves v expr |
| op iemands zenuwen werken onoverg. uitdr. | (irriteren, tergen) | get on someone's nerves v expr |
| op kunnen schieten met overg. uitdr. | (overweg kunnen met) | get along with, get on with v expr |